Dieren

Paarden, koeien, varkens, ganzen, kippen – overal op het museumterrein ziet de bezoeker dieren. Het museum wil immer niet alleen tonen hoe de mensen vroeger woonden en werkten, maar ook wat ze in hun moestuinen en op hun velden verbouwden en welke boerderijdieren daarbij hoorden. De dierenrassen die in het museum aanwezig zijn, zijn vaak met uitsterven bedreigd. Het behoud van deze historische rassen is voor het museum erg belangrijk en daarom engageert het zich in instandhoudingsprogramma’s. In het museum treft men de volgende dieren aan: het Ardens trekpaard, de ezel, het witte Duitse edelgeitje, het Nederrijnse zwartbonte rund, het Glan-Donnersberger rund en het Duitse landvarken. Ook de Westerwalder koehond is thuis in het museum evenals enkele katten. Daarnaast fladdert er ook uiteenlopend gevogelte rond op het museumterrein. Naast de Duitse sperwerkip en ander pluimvee leven er ook pommerse ganzen en Höckerganzen in de gebouwengroepen.

Niet alle dieren die u in het museum kan zien, kwamen op elke boerderij voor. De arme boer in berggebieden had meestal slechts een geit want niet iedereen kon zich een koe permitteren. De geit werd vroeger vaak “de koe van de kleine man” genoemd. Geiten hoorden in elk geval bij kleine boerderijen en indien er geen koe voorhanden was, waren ze de enige melkleveranciers.


Het hebben van een koe duidde op een zekere welstand. Meer dan één koe was zeldzaam, enkel in de Nederrijn waren grotere kuddes de regel. Meestal had men slechts één dier dat tot verscheidene doelen diende: het leverde melk en vlees en werd vooral als werkdier ingezet. Uitwerpselen werden als mest gebruikt, de haren dienden tot kussenvulling, de huid om er leder van te maken.

Hoewel rundvee erg belangrijk was voor het dagelijks leven waren de levensomstandigheden van de dieren meestal miserabel. De slechte geografische omstandigheden – in het bijzonder in de Eifel – en het gangbare systeem van “Realteilung” van erfenissen (een gelijke verdeling van bezit onder alle erfgenamen) zorgden ervoor dat de mensen arm waren. De stallen waren te klein, vochtig en donker, als strooisel werd heide of mos gebruikt, stro werd gebruikt als veevoer. De graasweides waren vaak te klein en te schraal om voldoende voedsel te kunnen opleveren. Ten gevolge van voedseltekort vermagerden de dieren tijdens de winter soms zo erg dat ze in de stal door hun poten zakten en af en toe op hun andere zijde omgelegd moesten worden om doorligwonden te voorkomen – dit noemde men luchten. In het voorjaar moesten sommige dieren zelfs naar de graasweides gedragen worden, waar ze dan geleidelijk aan herstelden. Het veehoeden was meestal de taak van kinderen of oudere mensen. In het Westerwald waren er echter ook herders die de veestapel van een gans dorp gezamenlijk hoedden.

Indien een familie iets welgestelder was dan kon ze zich een os permitteren. Deze gaf dan wel geen melk en kon niet voor nageslacht zorgen maar werd enkel als werkdier gebruikt. Ging het de familie echt voor de wind dan kon er een paard aangeschaft worden: in het Eifeler grensgebied dikwijls Ardense trekpaarden en in de rest van het Rijnland het Rijns-Westfaalse trekpaard.


Pluimvee hoorde ook altijd thuis op een boerderij. De Bergse kraaier of de Duitse sperwerkip waren alledaagse kippenrassen in het Rijnland. Maar ook in de stad hield men kippen. Voor grotere dieren was er onvoldoende plaats maar een kippenstal was klein en de kippen leverden eieren en vlees. Hun voer, bestaande uit insecten, wormen, graankorrels en plantjes zochten de vrijlopende kippen op het erf. Ook enkele ganzen kwamen vaak voor op de boerderijen. Zij zijn niet veeleisend qua voeding maar zetten dit toch om in kwaliteitsvol vlees.


Kluisjes

Bagage kunt u opbergen in kluisjes in het kassagebouw.

Informatie over projecten, rondleidingen en cursussen

Alle projecten, rondleidingen en cursussen zijn hier te vinden. U kunt ook bellen op kulturinfo en advies krijgen of boeken: Tel. 02234/9921555, info@kulturinfo-rheinland.de

Bolderwagen

Aan de kassa’s zijn bolderwagens ter beschikking die tegen een prijs van € 3 gehuurd kunnen worden. Verspreid doorheen het jaar biedt het museum een reeks evenementen en acties voor kinderen aan. Details vindt u in het jaarprogramma

Rollators

De Vrienden van het Museum hebben rollators gekocht voor het museum, dat op het ticketbureau geleend kan worden.

Gevonden voorwerpen

Gevonden voorwerpen worden aan de kassa’s bewaard. Tel. + 49 2443 / 9980140

Toegankelijkheid

Het Openluchtmuseum ligt op een heuveltop wat met zich meebrengt dat er enkele steile hellingen zijn, soms tot 17%. De wegen bestaan grotendeels uit kasseien maar er zijn ook stukken in aangestampte aarde. Tussen de onderscheiden gebouwengroepen staan er zitbanken en picknickplaatsen met tafels. meer over de toegankelijkheid…

Honden in het museum

Uw hond mag natuurlijk meekomen tijdens uw museumbezoek, zij het graag kort aangelijnd aub (de leiband moet vergrendeld worden) en mits het in acht nemen van de wettelijke bepalingen ter zake. In de gebouwen en de tentoonstellingshallen mag uw hond helaas niet binnen.

Fotograferen

Op tal van plekken zal u in de verleiding komen om foto’s of beeldopnames te maken. Natuurlijk mag u foto’s nemen of filmen, maar enkel voor eigen gebruik, als herinnering. Het is niet toegestaan opnames te maken voor publicaties of voor commercieel gebruik. Verdere info vindt u onder fotograferen in het museum.