Nederrijn

Huis uit Lürrip "Heyerhof" van Korschenbroich "Togrund-Hof" vanuit Hoser / Viersen Mand maker's huis van Hilfarth windmolen van Cantrup Windmolen uit Spiel

Op het platteland bepaalden afzonderlijk gelegen boerderijen het beeld van het landschap van de Nederrijn. Het middelpunt van de hoeve-uitbatingen in het noordelijke deel van de Nederrijn is de Hallenhuisboerderij met als kenmerk dat alle functionaliteiten van de boerderij onder één dak liggen: door de aan de gevelzijde gelegen toegangspoort komt men op de deel uit die de middenbeuk vormt. Aan de beide langszijde liggen de stallingen voor paarden en koeien die in vergelijking met de boerderijen van de andere gebouwengroepen behoorlijk groot zijn: de rundveehouderij speelde in grote delen van de Nederrijn een belangrijke rol.


De ‘beneden’-Nederrijn is laagland. Tot aan het begin van de industrialisatie was ongeveer een vijfde van de landbouwoppervlakte enkel als weiland in gebruik: permanent graasland dat om-wille van overstromingen en het hoge grondwaterpeil niet bewerkt kon worden. De overige gronden van de Nederrijn waren echter zeer vruchtbaar. Dat is ook te zien aan de boerderijen. De huizen zijn verhoudingsgewijs groot, bedoeld om een grote oogst en veel vee te kunnen herbergen. Vaak was er aanvullend ook nog een vrijstaande graanschuur. Deze hoeves groeiden niet samen tot dorpen maar stonden als afzonderlijk gelegen uitbatingen gelijkmatig over de streek verspreid.

De landbouwpraktijk en de manier van samenleven in de Nederrijn verschilden ten opzichte van het middelgebergte.

In de Nederrijn golden andere economische en sociale verhoudingen dan in het middelgebergte.

Om die reden werden de gebouwen ook anders gebruikt dan in bijvoorbeeld de Eifel. Vermits de uitgestrekte vochtige weilanden gunstig waren voor het houden rundvee, ontstond er een melk- en kaasproductie die vergelijkbaar is met de Nederlandse traditie. In de 16de eeuw kwam daar een nieuwe bedrijfstak bij die later de werkgewoontes zou wijzigen: de textielnijverheid. In de Nederrijn waren er geschikte arbeidskrachten voor deze vorm van ambacht: hier was namelijk het “Anerbenrecht” van kracht, een vorm van eerstgeboorterecht volgens hetwelk de gehele boerderij steeds op de oudste zoon overging. De jongere broers en zusters moesten ofwel als knechten en meiden in dienst treden bij hun broer ofwel zich toeleggen op het uitoefenen van een ambacht.