Het Bergische Land

Huis uit Kalsbach Uitzicht over een vijver op het huis van Rhinschenschmidthausen Huis van Rhinschenschmidthausen Mannesmann-huis uit Bliedinghausen Huis van Eulenbruch Zicht op het huis vanuit Kalsbach

Het Bergische Land is een middelgebergte op de rechter Rijnoever tussen de Roer en de Sieg. Het is grotendeels een vrij onherbergzaam gebied: er is veel neerslag en het terrein is erg geaccidenteerd. Vele beken hebben zich in de hellingen ingegraven. Voor de aanleg van de spoorwegen waren de dalen vaak moerassig waardoor er daar nauwelijks geschikte plaatsen waren om op te bouwen. Dit had als gevolg dat de eerste dorpen op de heuvelruggen tussen de waterlopen ontstonden. Daar ook passeerden de doorgangswegen. Er was echter weinig plaats op de bergtoppen en wanneer in de late middeleeuwen het aantal mensen toenam, konden de dorpen niet verder uitbreiden.

Verder naar beneden, halverwege de berghelling, begon men nieuwe huizen te bouwen, aanvankelijk nog afzonderlijke boerderijen. Snel echter nam het inwoneraantal ook in deze nieuwe nederzettingen toe en werden er bijkomende huizen bijgebouwd. Hoe het uitkwam werden nieuwe boerderijen gebouwd in de nabijheid van reeds bestaande, niet opgelijnd langs een straat maar ongeordend door elkaar. Zulk een ongeordend geheel van boerderijen noemt men een gehucht of een buurtschap. Zelfs wanneer een dergelijk Bergisch buurtschap redelijk groot is en meer dan 20 huizen omvat is er toch nog een duidelijk onderscheid met een dorp: er ontbreekt namelijk een kerk. Buurtschappen ontwikkelden zich daardoor niet tot zelfstandige gemeentes.

Boerderij- en nederzettingsvormen

Alleenstaande boerderijen en buurtschappen of gehuchten bepaalden het beeld van het Bergische Land. De boerderijen bestonden uit woonstalhuizen met vrijstaande schuren en graanopslagplaatsen (spijkers).

De boerenhuizen hadden woning en stalling onder één dak. Voor de landbouw in het Bergische Land was de veehouderij belangrijker dan de akkerbouw. In potstallen werd het vee de ganse winter binnen gehouden. Omdat de voedseltroggen met kettingen waren opgehangen, konden ze samen met de stijgende mestlaag op de grond “meegroeien”.

Er werd voornamelijk haver en rogge verbouwd, enkel in de vruchtbare Rijnvlaktes lukte ook de teelt van tarwe.

Al vrij vroeg werd het Bergische Land een belangrijke industrieregio. Dit zorgde ervoor dat de economische situatie in de streek stabieler bleef dan elders. Boeren die in de problemen kwamen, konden in de onmiddellijke omgeving steeds werk vinden als arbeider.